Het verlengde van 5th avenue langs de oostkant van Central Park heet de Museum Mile. De Museum Mile herbergt niet alleen de Frick collectie, maar ook het Louvre van New York, het Metropolitan Museum of Art. Toch zijn het niet alleen de oude meesters die de scepter zwaaien aan de kant van Central Park waar de zon op gaat. Een paar blokken naar het noorden ligt het befaamde Guggenheim: de witgekalkte, omgekeerde hoepelrok. Toen ik na mijn bezoek gister weer mijn kamer binnenstapte, kon ik de witte wanden veel meer waarderen dan voorheen.
In het Guggenheim heb ik voor het eerst bewust en actief deelgenomen aan de creatie van beeldende kunst. In het kader van de transcedente toestand van de eeuwige tegenwoordige tijd , was er in een zaal een projector opgesteld die niets projecteerde. Want niets is volgens de Oosterse cultuur de basis van ons bestaan. Omdat ik mij ook in een transcedente toestand bevond, heb ik mijzelf tussen de projector en de wand geplaatst waardoor mijn silhouet in het niets opeens de essentie van de menselijke aanwezigheid creëerde. Met deze handeling heb ik de kern van de moderne kunst blootgelegd: de interactie tussen toeschouwer en kunstwerk.
Toch ben ik in de interactie niet zo ver gegaan als sommige anderen. Toen ik aan een suppoost vroeg waarom de Kandinsky zaal niet open was, vertelde hij dat er een koffiebar ingebouwd werd. Zo hoefden mensen, zoals ik net had gedaan , niet helemaal naar beneden te gaan om een kopje koffie te drinken. En dan konden ze dat ook nog eens doen terwijl ze de schilderijen van Kadinsky probeerden te doorgronden. De verbouwing duurde wat langer dan gepland omdat er om elk schilderij een glazen bescherming gebouwd moest worden om de schilderijen tegen de kopjes Illy espresso te beschermen. Volgens de suppoost liepen er namelijk nogal wat vreemde snuiters in het Guggenheim rond. Er waren eens drie Europeanen geweest, zo vertelde hij, die de gastronomische aantrekkingskracht van 'Montagnes a Saint-Remy' van Van Gogh (boven) niet hadden kunnen weerstaan en het schilderij waren gaan likken. Vreemd, vond hij, want aan de overkant van de zaal hing toch die prachtige Manet (onder). Ik heb nog eens goed gekeken en ze heeft inderdaad een erg aantrekkelijke blanke nek.


